Vereniging Digitale Onderwijs Dienstverleners

thema’s

De doelstelling van de vereniging DOD als belangenorganisatie is breed. Daarom zijn binnen de vereniging themagroepen opgericht om recht te doen aan de differentiatie.

De vereniging heeft de volgende thema’s geïdentificeerd:

De toegang tot digitaal leermateriaal moet goed geregeld zijn: eenvoudig, gebruiksvriendelijk en met aandacht voor de privacy van leerlingen. Publieke en private partijen werken aan afspraken en voorzieningen om dit mogelijk te maken.

Binnen het domein Toegang tot leermateriaal lopen op dit moment twee grote projecten: de implementatie van de standaard Distributie en toegang 2.0 en de implementatie van de nummervoorziening.

Het domein Toegang tot leermateriaal kent aparte overleggen voor het Primair Onderwijs, en het Voortgezet Onderwijs en MBO.

Aanleiding

Het bestuurlijke Platform EDU-K ontwikkelt op verzoek van de Standaardisatieraad een visie op de noodzaak om meer samenhang aan te brengen tussen standaarden en voorzieningen in het domein “Examineren, toetsen en oefenen”. Vanuit het Platform is een beperkte groep leden als werkgroep gestart om te inventariseren wat er nodig is om tot een gedegen visie op dit punt te komen.

Doel en resultaat

Door het beschrijven van verwachte ontwikkelingen op dit gebied, en de onderwijskundige behoefte en ambities wil de werkgroep onderzoeken welke maatregelen nodig zijn om deze ambities mogelijk te maken. Dit kan uitmonden in aanvullende afspraken, standaarden en/of voorzieningen.

Uitgangspunten

Het onderwijsleerproces vormt de basis van de visie, waarbij met name aandacht zal worden gegeven aan de rol van ICT, maar ook papieren toetsen worden meegerekend. De visie zal een breed publiek-draagvlak moeten hebben. De sectoren po, vo en mbo worden in het onderzoek betrokken.

Planning

Het visiedocument zal naar verwachting in juni 2018 worden opgeleverd.

Wat doet de VDOD?

De VDOD heeft zowel een plaats in de werkgroep als in expertisegroep ‘toetskunde’.

De eindtoets laat zien in welke mate leerlingen de referentieniveaus voor taal en rekenen beheersen. Ook toont de eindtoets aan welk type vervolgonderwijs bij een leerling past. De eindtoets is dus een hulpmiddel om vast te stellen of het basisonderwijs en het voortgezet onderwijs goed op elkaar aansluiten. De juiste uitwisseling van gegevens hierover is belangrijk voor VDOD leden.

Het onderwijs is volop in beweging. Op deze website (https://www.onderwijsinnovatie-etalage.nl/) wordt inzicht gegeven in de innovatieve ontwikkelingen op het gebied van leermiddelen en onderwijs. De VDOD is betrokken bij overleg wat wordt getoond in de etalage.

Het CvTE en DUO hebben in opdracht van het ministerie van OCW een computertoets- en examensysteem ontwikkeld, genaamd Facet. Met Facet zijn in het vo en mbo al ruim één miljoen toetsen en examens afgenomen. Vanaf 2018 wordt ook de digitale adaptieve Centrale Eindtoets in Facet afgenomen.  Dat is mogelijk op verschillende devices: computers, laptops en Chromebooks. Of tablets kunnen worden gebruikt wordt nog onderzocht.

Facet bestaat uit een portal, een afnamemonitor en een afnameomgeving voor de leerlingen. In de portal bestelt de school de Centrale Eindtoets en staan de leerlinggegevens en vraagt ze de rapportages op. Met de afnamemonitor wordt de afname begeleid en gemonitord. In de afnameomgeving leggen de leerlingen de digitale adaptieve Centrale Eindtoets af; de oefenomgeving kunnen ze gebruiken om te oefenen.

Facet kan zowel offline als online gebruikt worden. Bij een online-afname worden de opgaven via het internet rechtstreeks ingelezen van een centrale server. Daar worden ook de antwoorden weggeschreven. Bij een offline afname wordt een lokale omgeving ingericht waarin onder andere eindtoetsbestanden en antwoorden van leerlingen worden geplaatst. Voor en na de afname worden de gegevens van en naar de centrale server gestuurd.

Leraren willen gemakkelijk kunnen variëren met digitaal leermateriaal van verschillende aanbieders, vaak in aanvulling op het bestaande materiaal dat ze gebruiken. Om dit mogelijk te maken is het van belang om de leermiddelen te voorzien van de juiste ‘etiketten’, waardoor ze makkelijker te delen, vinden en gebruiken zijn. Dit noemen we metadateren. Uitgevers zullen hun methoden moeten metadateren. Van leraren vergt dat ‘curriculumbewustzijn’. Als zij lesmethodes willen loslaten, moeten zij zich scholen in het herkennen van welke onderwerpen binnen welke leerlijn passen en hoe die op kerndoelen en eindtermen aansluiten. Ook hierover vindt dan ook publiek-private afstemming plaats. Ook is het nodig dat leraren leermiddelen gemakkelijk kunnen zoeken en vinden. Geen ‘one-size-fits-all-methode’, waarbij alles per week precies duidelijk is, maar een catalogus waarin precies omschreven is welk leermateriaal bij welk leerdoel hoort. In Edu-K stemmen publieke en private partijen deze en andere vragen af met het aanbod. Dit om te voorkomen dat scholen zeggen dat ze weinig digitale leermiddelen gebruiken, omdat de juiste middelen er nog niet zijn en leveranciers zeggen dat de vraag niet helder is en ze daarom niet verder kunnen ontwikkelen.

De DTT is een digitale adaptieve toets. Een adaptieve toets past zich aan op de manier waarop leerlingen antwoorden. Als leerlingen vragen goed of fout beantwoorden krijgen zij daardoor makkelijkere of juist moeilijkere vragen. Zo krijgt elke leerling een uitdagende toets op maat.

Alle leerlingen krijgen na de DTT een diagnose. Hierin staat op hoofd- en deelaspecten wat hun sterke punten zijn, en op welke punten ze zich verder kunnen ontwikkelen. Bovendien krijgen docenten een diagnose op groepsniveau. Met deze diagnose kunnen docenten onderwijs op maat bieden. Zo kunnen docenten het leerproces van leerlingen goed bijsturen. De DTT draagt op deze manier bij aan meer maatwerk in het voortgezet onderwijs.

Het College voor Toetsen en Examens (het CvTE) heeft de DTT ontwikkeld samen met scholen. Het CvTE deed dit in opdracht van het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW). Stichting Cito, DUO en SLO (het nationaal expertisecentrum voor leerplanontwikkeling) waren partners in de ontwikkeling. Na het schooljaar 2016-2017 is de DTT overgedragen aan marktpartijen.

Vensters helpt schoolbesturen en hun scholen om transparant te zijn en verantwoording af te leggen over hun onderwijs. In het programma vinden ze verschillende modules waarmee ze zelf de regie hebben op informatievoorziening en verantwoording. De PO-Raad en VO-raad ontwikkelen modules binnen Vensters in samenspraak met scholen en in samenwerking met ict-partner Kennisnet.

Waarom Vensters? Net als andere maatschappelijke organisaties die een publiek belang dienen, horen scholen transparant te zijn over hun beleid, uitgaven en prestaties. Vensters biedt inzicht in resultaten waarmee het verhaal van de school verteld kan worden binnen de school en aan externe stakeholders.

Overheden werken continu aan een betere dienstverlening aan burgers en bedrijven. Behalve eenmalig registreren van gegevens is hiervoor vooral een goede, veilige uitwisseling van informatie nodig tussen overheden. Met Digikoppeling kunnen overheidsorganisaties gemakkelijk, eenduidig, veilig en betrouwbaar onderling informatie uitwisselen. Voor het onderwijs is Edukoppeling geïntroduceerd, een variant van Digikoppeling die passend is gemaakt voor onderwijsspecifieke situaties. Hoe kunnen organisaties in het onderwijs op een eenduidige manier (vertrouwelijke) gegevens met elkaar uitwisselen gebruikmakend van deze standaard? Hoe kunnen we de identiteit van de partijen die betrokken zijn bij het uitwisselen van gegevens over leerlingen vaststellen? Waar volgt Edukoppeling Digikoppeling volledig en waar zijn aanvullingen c.q. aanpassingen noodzakelijk? Dergelijke vragen staan centraal binnen de werkgroep die Edukoppeling beheert.

De leden van de werkgroep Edukoppeling vertegenwoordigen onder andere onderwijsinstellingen, de Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO), CITO, de Vereniging Digitale Onderwijs Dienstverleners (VDOD), de GEU (Groep Educatieve Uitgeverijen), Kennisnet en SURF.

Softwareleveranciers zijn uiteraard vrij om te bepalen hoe zijn hun pakket maken en indelen, maar toch zijn er wettelijke eisen waaraan zij moeten voldoen. Ieder jaar worden er door de overheid (denk bijv. aan Ministerie van OCW) meerdere projecten bedacht, waarvan wordt geacht dat de softwareleveranciers deze doorvoeren in hun systemen en pakketten. Naast deze bron van veranderingen zijn er ook vanuit het onderwijs voortkomende suggesties die aanleiding kunnen zijn tot vernieuwingen. In het verleden was er voor softwareleveranciers in het onderwijs nooit erg duidelijk wat en wanneer er in hun softwarepakket gerealiseerd moest worden om te voldoen aan de wettelijke eisen. Daarom is er een I-agenda opgesteld. Op deze agenda wordt op PO en VO niveau duidelijk in een overzicht weergegeven welke projecten er op stapel staan, wanneer deze gerealiseerd moeten zijn en wat tussendoor de status is. De I-agenda is een voortdurend doorlopend document, waar diverse keren per jaar overleg over wordt gevoerd. Doel is dat alle betrokken partijen op één lijn blijven zitten en dat er dus duidelijkheid is; voor zowel de opdrachtgevende als de uitvoerende partijen.

Wat doet de VDOD? De VDOD neemt deelt aan de overleggen I-agenda en zorgt dat haar leden op de hoogte zijn van wat er van ze verwacht wordt door de overheid. Ook vertegenwoordigt de VDOD haar leden in deze overleggen om bij te dragen aan een realistisch en breed gedragen planning. Zo hoopt de VDOD voor haar leden een overzicht te bieden betreffende de aan de orde zijnde en komende dossiers per sector.

Scholen zijn in steeds grotere mate afhankelijk van de inzet van ict voor hun onderwijs. Daarom is het voor alle partijen in de educatieve keten belangrijk dat ict-processen veilig zijn ingericht en dat de beveiliging van gegevens is gewaarborgd. Door afspraken te maken over hoe alle software blijft werken en hoe partijen zich beschermen tegen bijvoorbeeld DDoS-aanvallen, brengen alle partijen de continuïteit en de beveiliging van hun dienstverlening op het gewenste niveau. Een belangrijk doel op het gebied van continuïteit en beveiliging is het implementeren van normen voor informatiebeveiliging in de hele leermiddelenketen. Beveiliging in de keten is immers zo sterk als de zwakste schakel. Op basis van het Certificeringsschema_informatiebeveiliging,  dat is ontwikkeld en vastgesteld binnen Edustandaard, is gekozen voor een risicogerichte benadering. Daarbij worden risico’s in kaart gebracht en op basis daarvan maatregelen genomen.

Door toenemend gebruik van ICT in het onderwijs wordt ook het zorgdragen voor privacy steeds belangrijker. De digitale leermiddelen en systemen verzamelen steeds meer leerlinggegevens die moeten worden beschermd. Daarnaast spelen het internet en sociale media ook een belangrijke rol waardoor het thema privacy niet meer binnen het onderwijsveld is weg te denken.

Scholen zijn zelf verantwoordelijk voor een zorgvuldige verwerking van leerlinggegevens met borging van de privacy van leerlingen. Tegelijkertijd moeten zij deze gegevens ook kunnen gebruiken om inzicht te krijgen in de vorderingen die leerlingen maken zodat die het onderwijs krijgen dat bij hen aansluit. Dit vraagt om duidelijke afspraken over het verwerken en bewerken van digitale leerlinggegevens tussen scholen en hun leveranciers en uitgeverijen als bewerker van digitale (leer)middelen.

Wat doet de VDOD?
De VDOD hecht grote waarde aan de privacy van leerlingen. In 2015 heeft de VDOD, in samenwerking met de raden, het Privacy convenant 1.0 opgesteld. De VDOD heeft veel tijd en effort gestoken in een door haar leden breed gedragen convenant, onder andere door ook een jurist in te schakelen. Inmiddels is er al een versie 2.0 van het convenant vastgesteld, waarbij naast de raden ook de KBB-e en de GEU hebben ingestemd. Daardoor is de doelgroep verbreed met leveranciers van leerling- en schooladministratiesystemen, en zijn er afspraken over datalekken aangescherpt. Op dit moment wordt er gesproken over een versie 3.0. Dit heeft alles te maken met de komst van de AVG in mei 2018. De VDOD doet er alles aan om haar leden goed te informeren. Zo wordt er in november 2017 een speciale informatiebijeenkomst georganiseerd en zal er een checklist worden opgesteld zodat leveranciers weten waaraan ze moeten voldoen.

In navolging op het succesvolle platform EDU-K, is er voor de administratieve kant het platform Admin-K opgezet. Dit platform is nog in de opstartfase. In 2017 is er een onafhankelijk voorzitter aangetreden en er wordt nu goed nagedacht over hoe het platform moet worden ingericht. De voorzitter van de VDOD is betrokken bij dit proces en heeft ook zitting in Admin-K.

Het ketenregie overleg is een aantal keer per jaar.

Voor het onderwijs- en onderzoeksveld komen steeds meer digitale diensten en voorzieningen beschikbaar, zoals leeromgevingen, zoekportals, digitaal lesmateriaal en administratiesystemen. Een architectuur is een instrument dat instellingen helpt bij het beheersen van risico’s in de informatievoorziening en het creëren van de noodzakelijke samenhang en kwaliteit. Het beschrijft de inrichting van organisaties in kaders en modellen. Dat geeft inzichten die gebruikt kunnen worden om de organisatie te verbeteren. Edustandaard stelt als doel om alle referentiearchitecturen binnen het onderwijs te registreren, zodat ze in samenhang met elkaar gebracht kunnen worden en duidelijk wordt waar sprake is van overlap of juist van ‘gaten’. De Architectuurraad is een adviserend gremium, waarin ketenpartijen op inhoudelijk niveau worden vertegenwoordigd. De leden van de raad adviseren de Standaardisatieraad over afspraken en standaarden en hun onderlinge samenhang.

De Standaardisatieraad beheert standaarden en formaliseert wijzigingen hierop. De raad bestaat uit bestuurders van publieke en brancheorganisaties in het onderwijs, waaronder de VDOD. De raad kan ook zelf een wijzigingstraject of nieuw standaardisatietraject initiëren. Daarnaast heeft hij een belangrijke rol in het erkennen en adopteren van de afspraken in het veld.
Taken zijn:

  • Regievoering op ontwikkeling standaarden vanuit duidelijke visie, doelstelling en gerichte architectuur
  • Focus op een beperkt aantal standaarden met duidelijke business case(s) vanuit een heldere ontwikkelagenda
  • Besluitvorming over standaarden en waar mogelijk formele verankering via Forum Standaardisatie, dat adviseert over de digitale uitwisseling van informatie tussen overheden onderling en tussen overheid, bedrijven en burgers.(interoperabiliteit)
  • Promotie van het gebruik van standaarden richting de achterban ter vergroting van draagvlak en adoptie

De Standaardisatieraad wordt door de Architectuurraad geadviseerd over standaarden en hun onderlinge samenhang.

De VDOD voert namens haar achterban met diverse partijen op regelmatige basis overleg. Denk hierbij aan het Ministerie van OCW, DUO, de Raden en de Inspectie van het Onderwijs.

De onderwijswetgeving is ingewikkeld en ondoorzichtig; dit probleem manifesteert zich onder andere in de registerwetgeving. OCW beheert omvangrijke registers met gegevens uit het onderwijsdomein. De registers zijn geregeld in de onderwijswetgeving. De gegevens worden op basis van wettelike informatieverplichtingen aangeleverd aan onderwijsinstellingen. De wetgeving voor de registers heeft de afgelopen jaren een ontwikkeling doorgemaakt naar een steeds grotere complexiteit. Daarnaast is het bewaken van sector overschrijdende samenhang ingewikkeld. Het doel van dit dossier is te komen tot een beter toegankelijke wetgeving, die meer gestructureerd in elkaar zit en van toepassing is op alle onderwijssectoren.

IAA staat voor Identificatie, Authenticatie en Autorisatie. Voor het bepalen
van de koers en samenloop van innovatie en ontwikkelingen van Identificatie, Authenticatie en Autorisatie (IAA)-gerelateerde, afspraken en dienstverlening (het IAA-stelsel) wordt de visie op dit werkveld met regelmaat herijkt, bijvoorbeeld op basis van ontwikkelingen
in de maatschappij, het onderwijs en/of veranderende wet- en regelgeving. Het betreft een

ketenvraagstuk dat organisaties overstijgt en waar regie op gevoerd moet worden. Vertrouwen in ons IAA-stelsel en de richting waarin dit zich ontwikkelt is cruciaal voor het effectief gebruik door alle
betrokken partijen: instellingen van onderwijs en onderzoek, leveranciers en individuele gebruikers. Dit dossier wordt door SURFnet geïnitieerd.

De Kijkglazen geven informatie over de leerlingen binnen een samenwerkingsverband. De informatie op Kijkglas 1 en Kijkglas 2 is uitsluitend beschikbaar voor de samenwerkingsverbanden.
In Kijkglas 1 staan de aantallen bekostigde leerlingen van een samenwerkingsverband. DUO maakt bij ieder Overzicht financiële beschikkingen (Ofb) een nieuwe versie van het kijkglas. De gegevens in BRON zijn niet 1 op 1 opgenomen in het kijkglas, alleen relevante gegevens voor de bekostiging. Door de gegevens op het Ofb te vergelijken met Kijkglas 1 van dezelfde maand kan gecontroleerd worden of een bekostiging klopt.

Kijkglas 2 geeft een overzicht van de inschrijvingen (v)so gedurende een schooljaar. DUO maakt Kijkglas 2 maandelijks gedurende het schooljaar aan. Kijkglas 2 wordt aangemaakt met als periode het betreffende schooljaar. In dit Kijkglas staan alle registraties van alle leerlingen die bij een samenwerkingsverband horen.

Kijkglas 3 laat de groei zien van het aantal leerlingen met een toelaatbaarheidsverklaring op (v)so- scholen per samenwerkingsverband. Met deze gegevens wordt de groei vastgesteld in het (v)so tussen 1 oktober en 1 februari van het voorafgaande schooljaar.

De digitale adaptieve Centrale Eindtoets is adaptief voor taal en rekenen. Het is een toets in toetsdelen. Het niveau voor de toets wordt op meerdere meetmomenten bepaald op basis van de score van de leerling over een set aan opgaven. Hierdoor is het een toegankelijke toets op maat die uitdagend en motiverend is voor iedere leerling.
Het niveau voor taal en rekenen wordt onafhankelijk van elkaar gemeten. Dit biedt ruimte voor leerlingen met een disharmonisch profiel. Ook voor leerlingen uit het so en sbo en leerlingen met speciale ondersteuningsbehoeften is de digitale adaptieve Centrale Eindtoets zeer geschikt.
De digitale adaptieve Centrale Eindtoets kan door de adaptiviteit het niveau van de leerling en beheersen van de (sub)onderdelen nauwkeuriger vaststellen. Ook sluit de digitale adaptieve Centrale Eindtoets goed aan bij de ontwikkelingen van toenemende digitalisering in het po.

De marktvraag en de regulatoire vereisten op het vlak van bedrijfsrapportering zijn in de loop van de tijd sterk toegenomen. Het internet biedt een alomtegenwoordige infrastructuur voor connectiviteit op alle vlakken. Nieuwe data-uitwisselingsstandaarden zoals XBRL maken het mogelijk relevante informatie te delen over de grenzen van organisaties en landen heen. Doordat XBRL-bestanden direct leesbaar zijn voor software applicaties, betekent dit een enorme kostenbesparing op het vlak van verzamelen en verwerken van bedrijfsinformatie. Dit stimuleert het aanbod van zulke

informatie, wat de interne en externe transparantie ten goede komt. Aangezien XBRL (en het onderliggende XML) een wereldwijde standaard is, zijn er geen individuele inspanningen meer nodig voor dataconversie, vertaling of de creatie van interfaces. Software Applicaties kunnen automatisch de onderlinge integriteit van de gegevens in XBRL-bestanden valideren, wat de kwaliteit van de data ten goede komt. Dit vertaalt zich op zijn beurt in nauwkeurigere managementbeslissingen. Via het internet, bedrijfsnetwerken en aanverwante technologie kan bedrijfsinformatie onmiddellijk en van om het even waar worden geraadpleegd. Dit stelt belanghebbenden in staat om zeer snel te reageren op veranderende informatie.
Aangezien elke industrietak en elke jurisdictie zijn of haar eigen specifieke kenmerken heeft, is het onmogelijk om één wereldwijde standaardtaal voor business reporting te maken. XBRL is dan ook een raamwerk, een universeel schema, waarop elke industrietak haar eigen taxonomie kan enten. Een taxonomie is een elektronisch document in XBRL-formaat. (ICT-technisch gesproken is het een XML Schema.) Het bevat een “verklarende lijst” van termen die gebruikt worden, inclusief hun onderlinge samenhang. De interpretatie van financiële data is niet langer software afhankelijk, maar is eenduidig bepaald.

Het lerarenregister was eerst nog vrijwillig, maar inmiddels is het verplicht gesteld. Op 21 februari 2017 heeft de Eerste Kamer ingestemd met de wet Beroep leraar en lerarenregister. Alle schoolbesturen hebben bij de invoering van het lerarenregister een belangrijke rol. Zij zijn verantwoordelijk voor de aanlevering van de basisgegevens van leraren aan DUO. Softwareleveranciers houden overleg hoe ze schoolbesturen hier het beste in kunnen ondersteunen.

In 2016 is OSO overgegaan van certificaten per school naar certificaten per software leverancier, populair gezegd het “SaaS certificaat”. Dit betekent dat voor elke koppeling naar een interface binnen OSO client authenticatie door het softwarepakket nodig is in plaats van authenticatie door de school. OSO geeft deze certificaten niet langer zelf uit maar heeft dit uitbesteed aan PKI Overheid. Een leverancier die actief is binnen OSO moet zichzelf voorzien van zo’n certificaat.

Net als in het voortgezet onderwijs en middelbaar beroepsonderwijs, is het gebruik van het digitaal verzuimregister in het primair onderwijs verplicht gesteld. Het register moet het relatief verzuim en het aantal thuiszitters beter in beeld gaan brengen. Vanaf 1 januari 2017 hebben basisscholen en sbo-scholen in een aantal gemeenten proefgedraaid met het register. In navolging van het vo en mbo, zijn per 1 april 2017 ook alle scholen in het primair onderwijs aangesloten op het Verzuimregister van DUO. Alle ongeoorloofd verzuim moet vanaf die datum via het leerlingadministratiesysteem (LAS) gemeld worden bij DUO.

De gewichtenregeling is een regeling in het Nederlandse basisonderwijs en richt zich op het verminderen van onderwijsachterstanden van risicoleerlingen. Het ‘gewicht’ houdt in dat een leerling op basis van bepaalde wettelijke criteria wordt ‘gewogen’. De criteria die worden meegenomen zijn factoren in de thuissituatie die ervoor zorgen dat de leerling een vergroot risico loopt op een onderwijsachterstand. Het gewicht van een leerling bepaalt de subsidie die een school voor de leerling krijgt. Tegenwoordig wordt het gewicht van een leerling berekend op basis van het opleidingsniveau van de ouders/verzorgers. Het basisgewicht van een leerling is 0,0 en dit kan oplopen tot 1,2. Het doel van de gewichtenregeling is het verbeteren van de leerprestaties van doelgroepleerlingen in het basisonderwijs en het verhogen van de doorstroom naar hogere vormen van het voortgezet onderwijs. De gewichtenregeling is in financieel opzicht een van de belangrijkste instrumenten van het onderwijsachterstandenbeleid. De gewichtenregeling blijft een voortdurend herzien instrument. waardoor leveranciers mee moeten blijven bewegen.

Over de manier van leveren van het advies VO moeten leveranciers het eens zijn. Hoe wordt aan de wensen van de scholen voldaan en hoe is dit te realiseren?